home       lijst cursiefjes 

 

 

 

Over hoe ik schrijf en over gevallen die mij invallen in intervallen
 


In de basisschool Duffel-West heb ik geleerd hoe je een opstel schrijft. Je begint met een inleiding, dan werk je aan het midden en je sluit af met een slot. Een opstel heeft ook een onderwerp nodig, dat gaf de onderwijzer cadeau, hetzelfde  voor alle leerlingen van de klas.

 De school Duffel-West heet nu “ ’t Kompas”, omdat ze de juiste weg wil wijzen aan de leerlingen.  Maar een kompas wijst naar de magnetische Noordpool, een onherbergzaam oord. Als je naar een herbergzaam wilt, moet je van die richting afwijken. Nu vind je de goede weg met een gps. Bijgevolg zou die school beter “de gps” heten. Ik zal ze verder zo noemen. Ik ben vooruitstrevend.
Een onderwijzer van de gps schenkt me heden geen onderwerp voor mijn verhaal. Een onderwerp zit onder, daarom moet ik diep denken om een goed onderwerp te vinden.  Diep denken doe ik met mijn hersenen en die heeft iedereen hoog in zijn bol. Mijn hoog denkt  diep. Na het denken, volgt het  nadenken over de inleiding, het midden en het slot van mijn verhaal.

Toen mijn basisschool nog Duffel-West heette, geen kompas laat staan gps was, wees ze, wees ze naar het groot verleden van Duffel. In de vijftiende tot in de zeventiende eeuw weefden wevers er een dikke wollen stof met lang haardek. Deze stof, met de toffe naam ”duffel”, kende veel succes en werd zelfs uitgevoerd naar Engeland. De stofnaam duffel bleef daar hangen na het verval van de Duffelse weefnijverheid wegens het verwoesten van Duffel in 1576, in 1584 en in 1606, door het ontbreken van christelijke naastenliefde in christelijke godsdienstoorlogen. Een dikke wollen stof, niet uit Duffel, heette bij gebrek aan het echte duffel, in Engeland voortaan ook duffel. Kort gezegd: ersatz duffel werd duffel. Einde 17e eeuw werden  in Engeland reeds duffelcoats gedragen.

Ik ben geboren in Lier en daar zat ik dan in de gps-klas, als inwijkeling, gemeentelijke stof te slikken over de  stof duffel met besluit: wees fier dat je een Duffelaar bent… Ik voelde me een allochtoon, hoewel ik toen dat woord niet kende.

Na de tweede wereldoorlog triomfeerde de naam duffel internationaal in de nog huidige  duffelcoat, de houtje-touwtje-jas.

Ook in Holland weten en wisten ze van wanten en van de stof duffel. Toen ik in het laatste jaar wetenschappelijke in het atheneum van Antwerpen zat, moesten we van onze leraar Nederlands een bepaalde roman lezen uit een lang geleden tijd. Die leraar had een baard, heette voor ons de Baard, in het echt Rombouts en was toen de voorzitter van het IJzerbedevaartcomité. De tsjeven versleten de rijksscholen voor socialistische scholen. Was niet zo. De Baard was streng en gaf meer stof dan  voorgeschreven, zelfs de geschiedenis van de Vlaamse Beweging, objectief. Veel bij hem geleerd.  Was zijn lang geleden de Gouden Eeuw in Holland, de 17e eeuw, Hooft, Huygens, Cats, Joost Van de Vondel…, of goud plus twee eeuwen: de Tachtigers, 1880,  "de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie” met de dichters  Kloos, Perk, Gorter,…, de romanschrijvers Frederik Van Eeden, Lodewijk Van Deyssel,…?  Ik weet het niet meer. Het was goud of tachtig, dacht ik.
Laatste jaar atheneum: 1950. In Duffel bestonden in 1950 twee bibliotheken: een katholieke en een socialistische.  In de katholieke bezaten ze de te lezen roman niet, in de socialistische wel: één  exemplaar van een aangepaste heruitgave.  Heb ik gelezen, ik ken de titel en de schrijver niet meer, maar ik weet nog dat een man in dat boek, op  vele blz. ingeduffeld in een Duffelse jekker rondliep.  Een jekker is een korte winterjas.
Engelse duffelcoat, Hollandse Duffelse jekker. Lekker voor mijn duffelgevoel als ingeburgerde allochtoon uit Lier, slechts een schapenkoppenstad...

Voor dit verhaal wou ik de juiste periode kennen waaruit het boek met de Duffelse jekker kwam. . Misschien ging er een lichtje branden indien ik ergens de titel van de roman, uit de gezegde oude tijd, zag. Ik zocht met google auteurs en titels uit de Gouden Eeuw en 1880 op. Geen aansteker voor mijn lichtje ontdekt. Zitten er nog lichtjes in mijn oude hersenen?

Ik reageerde toch nog slim: “Duffelse jekker”  googelen. Ik kreeg drie bladzijden uit  www.etymologiebank.nl
en die bladzijden zeiden veel. De Duffelse jekker was zeer populair in de 19e eeuw in heel Europa, vooral bij werklieden, vissers en zeelui. En omdat loodsen vaak korte Duffelse jekkers droegen, werden ze door Nederlandse matrozen dikwijls aangesproken met Duffel of Jan Duffel. Besluit de te lezen roman was tachtiger of in de buurt. Ik begin stilaan te vermoeden, na verder zoeken,  dat ik “Ferdinand Huyck” las van Jacob Van Lennep en die stierf in  1868.

Een Duitse en een Nederlandse taalgeleerde hebben  de link duffel – Duffel betwist en de Belgische etymoloog Vercoullie beweerde zelfs dat er in Duffel nooit textielindustrie bestond. De Utrechtse taalkundige Van Haeringen maakte in 1936 een einde aan die oppositie. Hij kon oude teksten citeren, die getuigden van Duffel en duffel. Een Engelse bevestiging uit 1677 zegt, vertaald, “deze duffels, zo genoemd naar een Brabants stadje, waar men deze begon te verhandelen...”. Gek dat een Hollander duffel-Duffel redt. Wat Vlaanderen zelf verwaarloosde, loste de Nederlander Van Haeringen op. Hollandse haringen zijn goede maatjes voor Vlaanderen.
Het etymologisch woordenboek citeert ook het werkwoord “induffelen”, terwijl de dikke Van Dale, dertiende uitgave, dat werkwoord niet kent, daar is zich warm kleden ”indoffelen”. Foei Van Dale. Mijn groen boekje van enkele jaren later duffelt ook in en de tekstverwerker Word onderlijnt “indoffelen” rood, “induffelen” niet.
Ik weet niet of literair Vlaanderen in de 19e eeuw ergens een Duffelse jekker of een Duffelse frak neerpende. Wij moeten de Engelsen en de Nederlanders  danken voor het  blijven eren van de stof “duffel”.  Nog  een Engels woord met duffel: duffelbag. Ik heb, een 35 jaar geleden, een duffelbag voor het eerst gezien in een etage in Londen. Het was een soort kitbag. Nu worden bepaalde types van reistassen ook duffelbag genoemd. 
Ik ontdekte in de webwinkel Liebeskind Berlin zelfs grote dameshandtassen met de naam mini duffelbag.  

 Duffelcoat, Duffelse jekker, duffelbag. Van de Duffelse jekker staat er nog geen standbeeld op een Duffelse rotonde, van de duffelcoat wel. Een hint… De zak moet niet, is niet geschikt als standbeeld. En in ‘t Kompas mag, moet de gps ook wijzen naar de Duffelse jekker en de duffelbag.

Interval met een ander geval. Ik  wijk af van het hoe-schrijven. Mijn aandacht wijkt vaak af, omdat mijn lichaam invloed heeft op mijn denken en mijn lichaamslengte wijkt af van de norm. Ze schiet te kort. Hoewel ik niet heb leren schieten in de gps. Wel met een geweer in  genieschool in Jambes, bij Namen. Ooit riep het leger op, zelfs wederop.  Tijdens zo’n wederoproeping, ik was toen reservekapitein, ben ik gesneuveld, niet gedood met een geweer, maar met een atoombom, dat is indrukwekkender, zelfs chiquer. In de rouwperiode na mijn dood nam ik eervol ontslag uit het reserve kader.

Weer het hoofdgeval: schrijven. Ik moet uitleggen hoe ik een verhaal schrijf. Ik moet daarvoor kunnen schrijven. Ik bezit een brief, die getuigt: “Hij kan, maar er is een maar”. Lang geleden in mijn jongere jaren, toen ik nog niet gesneuveld was, heb ik iets lang geschreven, ik dacht een roman. Hij telde meer dan 200 blz. , was alleszins veel-letters-kunde. Ik zond het meevallend, dacht ik, geval naar een serieuze uitgever in Nederland en die stuurde het terug, met gelezen en niet goedgekeurd.
Hij gaf uitleg, schreef: “Wat mijn kritiek betreft, kan ik kort zijn: u kunt schrijven (vond ik fijn om te weten), maar u gelooft het zelf niet. Willem Kloos van de Tachtigers beweerde: “Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten”. Ik ben een diepe twijfelaar…

Ik schrijf af en toe een verhaal, af en toe grappig. Ik doe en ik geloof niet in een bepaalde hoe, hoe-het-moet. Ik doe het hoe-moe van veel voorgeschreven hoe’s.
En humor is tijdgebonden. Voor ik sneuvelde,  was  humor  technisch: spelen met woorden, een werkwoord vervangen door een ander, dat analoog kan werken, maar meestal anders.  Ik geef een voorbeeld uit de conference “de lachende kerk” van Fons Jansen uit 1962:
Geen humor is: Kapelaan Sanders zingt de eerste strofe van de psalm, daarna zingt iedereen mee. Maar Fons Jansen zei:  Kapelaan Sanders zingt de eerste strofe van de psalm, daarna valt de hele kerk in.
Zo’n hoe ben ik niet moe.
De huidige standup comedians zoeken het meer in “hij durft het zeggen”, zijn soms brutaal of exploiteren het absurde.

En ik zeg nu brutaal: ik stop, want ik schreef nog een absurd gedicht.

Met veel omhaal
sprong mijn verhaal
van de hak op de tak.

Maar de hak werd gezet
en de tak brak.
 
Wie heeft dat gedaan?

Ik heb vijanden.
Ik sneuvelde ooit
en nu helpt een boze geest
mijn verhaal om zeep.

Sunlight zeep?
De minder erge zeep.

Want sunlight is zonnelicht.

Ik zoek zonnelicht ook
in mijn late derde leeftijd.

Zonnelicht vinden
kan ik;
ik geloof het zelf.


 

© Hugo Van Vlaslaer

De foto op de achtergrond is van Eddy Van Bulck: standbeeld van Kiliaan (corrector bij Plantijn - Moretus, auteur van het eerste woordenboek Latijn - Nederlands). Kiliaan werd gephotoshopt met een duffelcoat.
 

home     lijst cursiefjes